Global Sisters

"Ik ga op reis..... ga je mee?"
Sara

Wanneer we Parga binnenvaren zie ik een rustige baai voor me. De speedboten liggen kennelijk allemaal in de haven, te wachten op een nieuw seizoen. Het is rustig op de kade. Er staan een paar mannen te wachten om de boot aan te meren, verder is het stil. Ik stap van de boot en kijk om me heen of ik Nikos al ergens zie staan. Een ongemakkelijk gevoel maakt zich van me meester. Al weet ik dat Grieken het niet zo nauw nemen met de tijd, toch lijkt het alsof hij mij vergeten is. In mijn hoofd bedenk ik snel wat scenario’s wat ik zou doen als hij echt niet komt opdagen. Ik stel mezelf gerust met de gedachte dat het misschien wel beter is zo. Dat het misschien toch ook wel niet zo’n goed idee was naar hem toe te gaan. Dat hij misschien wel helemaal niet te vertrouwen is. ‘Sara!’ hoor ik ineens achter me, ‘sorry dat ik zo laat ben, maar er zat een tractor voor me op de weg en ik kon niet inhalen.’ Ik lach. Om mijn eigen dwaasheid, om zijn enthousiasme, om de ontlading dat ik toch niet alleen verder hoef. ‘Kom hier, geef me een knuffel, dan gaan we naar huis. Ik heb een lunch klaarstaan,’ zegt hij als hij zijn armen opent om me inderdaad een knuffel te geven. Nikos pakt mijn koffers en gaat me voor naar een knalgele, oude jeep met open dak. Of eigenlijk is het hele ding open. Het lijkt op een gele bak met een motor en een stuur. Nonchalant legt hij mijn koffers achterin. Ondertussen probeer ik net zo nonchalant de deur van de bijrijdersstoel open te maken. Als me dat niet lukt, komt Nikos lachend naar me toe. Met een handbeweging opent hij de deur en maakt een lichte buiging. ‘Madame, uw mobiel is gereed,’ zegt hij lachend als hij de deur weer sluit. De stoel waarin ik zit lijkt het enige te zijn wat nieuw is aan dit voertuig, de rest ziet eruit alsof het een rekwisiet is uit een film uit de jaren zestig. Als Nikos de motor start, maakt de auto zo’n herrie dat we elkaar niet meer kunnen verstaan. Ik besluit me op de omgeving te richten die ik door het open dak van de jeep goed kan zien. Het blauw van de lucht en het groen van de bomen steken krachtig tegen elkaar af. De zon schijnt fel, maar is niet meer zo warm als de afgelopen maanden. Ik concentreer me op de weg en op alles wat ik zie, terwijl ik me afvraag of dit inderdaad de bedoeling is van de zoektocht naar de sleutels. Had ik niet gewoon in mijn eentje verder moeten gaan? Wat verwacht ik eigenlijk van Nikos? Hoop ik dat ik bij hem kan blijven de rest van mijn leven? Ik vind hem leuk, ik voel van alles voor hem. Ons contact gaat zo vanzelf dat ik wel eens het idee heb dat hij mijn nieuwe liefde kan zijn. 

 

Mijn gedachten worden terug geslingerd naar het hier en nu als Nikos ineens een scherpe bocht maakt. We slaan een klein niet geasfalteerd pad in. Meteen ben ik alert. Is dit een van die ongeasfalteerde paden waar Isabella over schreef? Is dit de weg die ik moet bewandelen om te ontdekken wat ik echt wil in mijn leven?

Slingerend vervolgt de weg zich naar boven. Ik pak de deurpost vast en probeer het gevoel van misselijkheid weg te ademen. Ik kijk strak voor me uit en concentreer me op de weg voor me. Naast me is een diep ravijn. Ik adem vertrouwen in, wetende dat Nikos deze weg al vaker heeft gereden. De rit lijkt een eeuwigheid te duren. Alsof ik met de zeilboot in een heftige storm beland ben. Ook die tochten leken eeuwig te duren. Tot ze ineens voorbij waren als je de luwte van een baai of haven in voer. Ook nu is het ineens voorbij als we een vlakke weg in rijden die aan beide zijden door pijnbomen geflankeerd wordt. Een stukje verderop zie ik een prachtig gerenoveerd landhuis voor me ‘We zijn er’, zegt Nikos lachend. Dat had hij niet hoeven zeggen, zodra hij de motor uitzet, voel ik dat ik thuis ben.